Paarse Schijnridderzwam, Lepista nuda

De Paarse Schijnridderzwam of Grote Paarse Ridderzwam, komt op allerlei soorten organisch afval, zoals composthoepen, rottende stro- of hooiresten en hopen bladeren of naalden, voor. Deze soort wordt dikwijls samen aangetroffen met Nevelzwammen (C.nebularis). Het is een zuiver saprofyt, waarvan het mycelium in enkele weken door het hele substraat woekert. Van april tot december produceert de paddenstoel verse vruchtlichamen. 

Bij ongestoorde groei ontstaan op de bosbodem heksenkringen die voortdurend groter worden en elk jaar vruchtlichamen voortbrengen. Jonge paddenstoelen zijn door en door fraai paars van kleur. Op later leeftijd wordt het centrum van de hoed bruinachtig en de plaatjes zijn dan licht van de sporen. De paddenstoel verspreidt een doordringende, enigszins zoetige geur. Jonge exemplaren zijn bijzonder smakelijk.

In het voorjaar wordt soms een geurloze, slanker vorm met doorwaterde hoed gevonden- dit is de variëteit lilacea. Deze kan, overigens net als de typesoort, met de Lila Gordijnzwam (Cortinarius alboviolaceus) worden verward, die een overeenkomstige groeivorm heeft. De Lila Gordijnzwam heeft echter in het begin een draderig gedeeltelijk omhulsel en later roestkleurige plaatjes.

 

Uit Reader's Digest: paddenstoelen.

Nevelzwammen en Paarse Schijnridderzwammen worden vaak samen aangetroffen.